SURREALISME

(de gedoceerde stof wordt uitvoerig uiteen gezet en geillustreerd tijdens de hoorcolleges: neem zelf voldoende nota's, want wat volgt is slechts een summiere samenvatting)

Voorloper van het surrealisme: de Pittura Metafisica of de METAFYSISCHE SCHILDERKUNST

1910-1917: Italie

Vertegenwoordigers: Giorgio De Chirico , Morandi, Carlo Carra (de vroegere futurist, bevindt zich in 1917 samen met De Chirico in een klooster te Ferrara, om te herstellen van een ziekte. Carra verlaat het futurisme voor de metafysische schilderkunst)

De metafysische schilderkunst wil de diepere, raadselachtige betekenis van de dingen achterhalen. In tegenstelling tot het futurisme zoeken deze schilders geen beweging als realiteitsvorm uit te drukken, maar pogen zij juist via het statische een diepere werkelijkheid gestalte te geven.

Centrale principes zijn de ruimte, het ding en hun leegte. Er is invloed te bespeuren van de kunst van Giotto in de statische manier van weergave.

De metafysische schilderkunst is de rechtstreekse voorloper van het eigenlijke surrealisme, omdat hier voor het eerst het diepere, of het fantasieëlement in de werkelijkheid wordt opgezocht en uitgebeeld.

HET SURREALISME

(lees in: Amy Dempsey, Encyclopedie van de Moderne Kunst, Stijlen - Scholen - Stromingen, Waanders Uitgevers, 2002 ISBN 90-400-90300, p.151-154 & p.161-162
David Britt, Moderne Kunst, p. 226- 251)

1924: Parijs: De schrijver, Andre Breton, stelt het eerste surrealistisch manifest op: "een fundamentele aanval op de taal, in het belang van de poezie"

De surrealistische beweging ging uit van een aantal schrijvers, die uiteindelijk ook de schilders, behorend tot de dadaistische groep in o.a. Parijs, hebben weten aan te spreken.

1926: eerste groepstentoonstelling met Hans Arp, Giorgio De Chirico, Max Ernst, Paul Klee, André Masson, Joan Miro, Pablo Picasso, Man Ray, Marcel Duchamp en Francis Picabia

Sigmund Freud en het Onderbewuste:

Het surrealisme gaat terug op de basisideeën van de Weense psychoanalyticus Sigmund Freud (1856-1939) die de theorie van het onderbewuste formuleerde. In 1900 publiceerde Freud zijn ophefmakende werk "Die Traumdeutung", waarin hij o.a. de betekenis en symboliek van dromen onderzoekt. In 1912-13 verscheen zijn "Totem und Taboe".

Een persoon bestaat volgens Freud uit: het ES (het onderbewuste), het ICH (het ik, het bewuste) en het UEBERICH (controle, taboes, morele opvattingen). Voor de leeftijd van vijf jaar maakt het kind drie fases door: de orale, de anale en de fallische. Tijdens de fallische fase beleeft het kind een driehoeksverhouding met zijn moeder (=lust) en zijn vader (=vertegenwoordiger van de moraal, enz.). Het Oedipuscomplex wordt gezien als een fixatie op de moeder: in iedere vrouw wordt de eigen moeder gezien. Tijdens dromen en door vrije associatie (psychoanalyse), maar ook bij versprekingen, vergissingen, vergetelheid enz. wordt het Ueberich uitgeschakeld en kan men dus een glimp van het Es, het onderbewuste, opvangen.

Enkele symbolen, zoals Freud ze duidde:

Huis en balkon: zoeken naar geborgenheid (cfr. René Magritte: "L’ Empire de la Lumière")
Vogel: fallussymbool
Uitgestoken oog: castratieangst

Afwijzende koele vrouw: moeder (cfr. Paul Delvaux: Oedipuscomplex)

Verwantschap tussen dadaisme en surrealisme:
-geen geloof meer in rationaliteit:breuk door W.O.I (optimisme futuristen en kubisten gefnuikt)
-dadaisme: nihilisme
surrealisme: ontsnappen aan de realiteit, het niet- bewuste, het onderbewuste van de mens
-verbindingsfiguur: Hans Arp: het toeval ontsnapt aan de rede à Wet van het Toeval

Streefdoel van het surrealisme:

Het onderbewuste beter leren kennen (cfr. Freud).

Het surrealisme was in de eerste plaats een literair gebeuren. In het eerste manifest van het surrealisme wordt de schilderkunst nauwelijks vermeld. De schilders sloten zich aan bij het manifest, dat geschreven was door de dichter Andre Breton.

In zijn manifest worden twee methodes aangeduid om het onderbewuste te leren kennen:
à AUTOMATISME (cfr. Associatieve monoloog)

à DROOMBEELDEN (cfr. Traumdeutung)

Surrealistische methodes en technieken:

HET AUTOMATISME:

Het automatisme bestaat erin zo ongecontroleerd mogelijk een schets of tekening te beginnen, zonder ‘betekenis’, tot op een gegeven moment één of ander beeld opduikt, dat een associatie aan de werkelijkheid of een deel ervan oproept.

Masson
Max Ernst: hij ontwikkelt twee nieuwe technieken:
    1. Frottage bestaat erin bv. willekeurige stukken papier op een plankenvloer te laten neervallen en daarop met een zwart potlood te wrijven, zodat de textuur van het hout bepaalde figuren oproept. Werd ook met ander materiaal, bv. linnen, bladeren, draad enz. bereikt.

    2. Grattage: een vooraf met kleurstof ingewreven doek wordt op een oneffen vlak geplaatst en dan verschoven, zodat allerlei figuren ontstaan, die dan verder worden uitgewerkt.

Deze technieken moeten de rol en de betekenis van de maker tot een minimum herleiden en het begrip talent onvolledig betekenisloos maken.
De aldus ontstane figuren moeten het onderbewuste van de tekenaar reveleren. Niet langer de techniek of het genot te
schilderen mag centraal staan, dan wel het uitgebeelde zelf, dat een hallucinerende, openbarende kracht moet bezitten.

DE "TROMPE L’OEIL" TECHNIEK, ook wel DROOMTECHNIEK genoemd:

Hier worden droombeelden gefixeerd.

De werken van Sigmund Freud over de relatie tussen dromen en het onderbewuste hebben hier een grote rol gespeeld. De droom hoeft niet steeds een symbolische betekenis te hebben, maar schept wel een model van de inwendige wereld van de mens.

Vertegenwoordigers van deze ‘trompe l’oeil’ techniek: o.a.

Yves Tanguy (autodidact)
Salvador Dali (door Tanguy van plagiaat beschuldigd)
Max Ernst
René Magritte
Paul Delvaux
(Andere minder gekende, doch zeer boeiende Belgen: Mesens, Nougé e.a….)

Het is op deze richting dat de metafysische schilders, waaronder De Chirico, een grote invloed hebben uitgeoefend.

 

Het surrealistisch object:

1938: internationale tentoonstelling van het surrealisme te Parijs, georganiseerd door Duchamp, met o.a. werken van Masson, Dali, Giacometti, Dominguez.

Op deze tentoonstelling stond het surrealistisch object, vervaardigd uit een assemblage van voorwerpen met symbolische betekenis, centraal.

SURREALISME: voorbeelden van hun werken

Voorloper: De Pittura Metafisica:
--------------------------------------------------

Giorgio De Chirico

- 1912 De overwinning van de filosoof
- 1913 De schadeloosstelling van de waarzegger
- 1914 Mysterie en Melancholie van een straat
- 1914 Het liefdeslied- 1915 Hector en Andromache
- 1917 Verontrustende Muses

Van dadaisme naar surrealisme,

Associatietechniek (grattage/frottage) versus Trompe l'oeil
--------------------------------------------------------------------------------------------

Max Ernst

- 1922 Oedipus Rex
- 1923 Hierover zal men niets weten
- 1926 Madonna slaat Jezuskind voor drie getuigen: Andre Breton, Paul Eluard en de schilder
- 1927 Woud en Duif (grattage)
- 1934 Une Semaine de Bonte (collage) Tuesday: Fire: The court of the Dragon
- idem Wednesday: Blood
- idem Thursday: Blackness
- 1939-40 Het kleden van de bruid
Surrealistische associatietechniek
-----------------------------------------------------

Joan Miro

- 1921-22 De Boerderij
- 1923-24 Het bewerkte land
- 1923-24 De Jager - Catalaans landschap
- 1924 Moederschap
- 1924-25 Harlekijnscarnaval
- 1925 De Geboorte van de Wereld
- 1928 Portret van een Danser
- 1933 Schilderij
- 1945 Dona I Ocell en La Nit
Surrealistische trompe l'oeil of droomtechniek
-------------------------------------------------------------------------

Yves Tanguy

- 1927 Een groot schilderij, dat een landschap is

- 1942 Oneindige deelbaarheid

Salvador Dali

- 1927 Het lugubere spel
- 1929 De grote masturbator
- 1938 De verschijning van een gezicht en een fruitschaal op het strand
- 1940 Het aangezicht van de oorlog

Rene Magritte

- 1926 De Moordenaar bedreigd
- 1927 Le Noctambule
- 1929 Op de drempel van de vrijheid
- 1933 De Menselijke aard I
- 1935 De Menselijke aard II (La Condition Humaine)
- 1934 De collectieve uitvinding
- 1935 Het Rode Model
- 1947 De Bevrijder
- 1948 Het Geheugen
- 1950 Perspective Mme Recamier
- 1952 Persoonlijke waarden

Paul Delvaux

- 1940 L'Homme de la Rue (zwart-wit repro)
- 1942 La Prisonniere
- 1943 De echo
- 1943-44 De Rode Stad
- 1944 Skeletten in een bureau
- idem
- 1960 La gare forestiere

- 1970 Pompei

***

keer terug naar de inleiding

ga terug naar futurisme

ga terug naar fauvisme - expressionisme

ga terug naar kubisme - orfisme

ga terug naar dadaisme

ga verder naar tentoonstelling zelfportretten in de 1e helft van de 20e eeuw