JAPAN

 

1. INLEIDING
____________

 

Geografische situering: meest oostelijke land van Azie. Eilandengroep met o.a. Honshu, het in het westen meest gekende eiland met de hoofdstad Tokyo en belangrijke steden, zoals Osaka, Hiroshima, Kyoto, Okayama... Verder de eilanden Hokkaido (noorden), Shikoku (het meest traditionele eiland), Kyushu (met Nagasaki) en de talrijke zuidelijke eilanden waaronder Okinawa.

Politieke situatie: expansionisme kenmerkte Japan voor W.O.2 (imperialistische houding t.o.v. Korea). Dit expansionisme kende zijn einde door de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki). Na de tweede wereldoorlog zien we territoriaal bekeken, terug een "gesloten", niet expansionistische politiek gevoerd worden, doch Japan ontwikkelt zich economisch gezien tot een sterke marktveroveraar. Steeds groeiende westerse beinvloeding, doch acculturatie met behoud van vele Japanse tradities.

Religieus: twee religies leven naast elkaar: het Shintoisme, dat als natuurreligie de zon centraal stelt. Sinds de jaren dertig vervulde het Shintoisme meer en meer een nationalistische symboolfunctie en sinds WO2 werd het een staatsgodsdienst. Het Boeddhisme in Japan kent verschillende strekkingen, met o.a. de Tendai, Shingon, Amita, Zen en Nishiren scholen, om enkel de grootste te noemen. Vele Japanners zijn tijdens hun leven Shintoist, maar worden later daarnaast Boeddhist, omdat het Shintoisme niets te bieden heeft na de dood. Een Shinto-tempel kan herkend worden aan de toegangspoort of torii met twee horizontale dwarsbalken. Zowel in de steden als in de natuur zijn er ontelbare kleine schrijnen geplaatst ter verering van de talrijke goden. Centraal op een Boeddhistisch tempelterrein staat een pagode. Deze is afgeleid van de stupa, of gedenkheuvel met een centrale as als symbolische hemel en aarde verbinding en bovenop een parasol met zeven verdiepingen als symbool voor de Boeddha en de stadia van de verlichting. Zowel een Shinto- als een Boeddhistisch heiligdom bestaat uit vele gebouwen die in Japan kriskras door elkaar over een domein zijn verspreid. Vaak vinden we heiligdommen die aan beide religies samen zijn gewijd. Hier kunnen we dan zowel een torii als een pagode aantreffen.

Sociaal: Japan is een sterk hierarchisch georganiseerde maatschappij, maar de westerse invloed is merkbaar in grote steden en vnl. in Tokyo. Platteland en kleinere steden worden nog steeds door Japanse tradities bepaald. De groep primeert in Japan boven het individu en de omgangsvormen verschillen grondig van de westerse. Bv. de beleefdheidsregels zijn zeer belangrijk en anders dan bij ons, het aanraaktaboe is wijd verspreid in het openbare leven en tegelijk is Japan nog steeds een van de veiligste landen in de wereld. Dit heeft o.a. te maken met de straffen die tijdens de Shogun-periode niet alleen de overtreder, doch de ganse familie raakte. Zo was het niet ongebruikelijk de ganse familie van een moordenaar ter dood te veroordelen.

De taal in Japan kent drie systemen, die door elkaar gebruikt worden: de Chinese pictogrammen of Kanji, en twee alfabetten: het Hiragana en het Katakana (dat gebruikt wordt voor alle woorden van vreemde oorsprong). Ook worden verschillende telsystemen gebruikt: men kent andere telwoorden voor bv. mensen, levende wezens, ronde objekten, lange voorwerpen, enz. Verder gebruikt men in het Japans geen negaties, geen meervouden en geen verleden of toekomstige tijd...

 

2. Japanse KUNSTGESCHIEDENIS
______________________________

Bron: Joan Stanley-Baker, Japanese Art, World of Art, Thames and Husdon, '84-'86

Archaïsche periode (vóór 6de eeuw n.o.t.)

Hier zijn drie grote prehistorische periodes te onderscheiden:

Jomon periode: 11.000 - 300 v.o.t.
- mesolithicum: jacht / visvangst / voedselverzameling.
- de term Jomon is afgeleid van een versieringstechniek voor keramiek:
- handgevormde keramiek met touwafdrukken (vaak vertikale versiering)
- ook figurines uit steen en klei
- late Jomon: mensenfiguren met insektenogen
- steencirkels en menhirs op Hokkaido

Yayoi cultuur (300v.-300n.o.t.)
- pottenbakkerswiel gekend
- term Yayoi afkomstig van site bij Tokyo waar keramiek gevonden werd
- Yayoi-bevolking afkomstig van het vasteland (Z.Korea)
- 1ste "echte" Japanners
- gladde keramiek met rode of ingesneden versieringen, vaak horizontaal met zigzagbanden
- metaalbewerking (tegelijk brons en ijzer ca. 3e e v.o.t.) ingevoerd in Japan
- zwaarden en bellen met meander-watermotief (exclusief Yayoi)
- ook Chinese Han-spiegels
- periode van vrede, kunstzinnigheid en groot raffinement

Kofun periode (300-600n.o.t.)
- term Kofun afgeleid van de tumuligraven (eerst rond dan sleutelgatvormig)
- het zijn keizerlijke graven gelegen bij de binnenzee (Osaka)
- de inhoud van de graven bestond hoofdzakelijk uit HANIWA-figurines in potvorm,
- Haniwa gevonden rondom centrale area van het graf
- vanaf eind 4de eeuw zijn de Haniwa antropomorf (tijdens 6de eeuw ook diermotieven)
- naar het einde van de periode toe: militaire heersers en internationale handel (tot in Perzië = huidige Iran)
- Late Kofun op Kyushu: dolmen-type graven met schilderingen en soms met sarkofagen.

Einde van de Japanse prehistorie. Begin van de Japanse geschiedenis.

Asuka (552-646n.o.t.): 6de eeuw
- introductie van het boeddhisme
- Chinese invloed
- oudste boeddhistische sculpturen (stijf), brons en goud, Chinese invloed
- Koreaanse invloed: uitgelengde figuren, 1 blok hout, goudkleurig
- schilderingen: panelen van het schrijn van keizerin Suiko: lange figuren in landschap, Chinese invloed

Nara (646-793n.o.t.): 8e eeuw
- Indische (Gupta) en Perzische invloed
- Gupta-invloed: vollere figuren met dunne kledij (2de helft 7e eeuw)
- 8ste eeuw: klei- en lakfiguren, grote verfijning
- schilderkunst: fresco's met Indische invloed: volle figuren

Heian (Kyoto) (vroeg: 794-893, laat: 894-1185) 9de - 12de eeuw
- bloeiperiode van de kunst: verfijning
- vroeg Heian: oprichting van de Tendai en Shingon boeddhistische scholen
- Late Heian: assimilatie van de vreemde invloeden
- Japan gesloten voor China
- houtsculpturen, soms gekleurd, gelakt en bladgoud, soms houtpatine o.a. sandalhout
- 10e-11e-12e eeuw: hoogtepunt schilderkunst, ten nadele van de sculpturen
- brede komposities en omlijnde figuren
- late Heian: verfijnd, delikate lijnen, menselijke trekken, tijdgebonden kostumes
- 10e eeuw: eerste niet-religieuze schilderkunst: Genji Monogatari (het leven van de adel)
- houten beelden uit verschillende delen samengesteld, ronde gezichten
- 11e Jocho-Amida-Boeddhabeelden

Kamakura (1186-1333): 13de eeuw
- terug invloed uit China
- introductie van nieuwe vormen van boeddhisme: Nichiren, Zen...
- militarisme
- beeldhouwkunst:
- bekende beeldhouwers o.a. Unkei (dynamische beelden o.a. 8m80 hoge wachters),
- ook zonen Jokei en Kwaikei (ingetogen, bv. Boeddhabeelden)
- portretten (typisch Zen) - hoogtepunt van de boeddhistische sculptuur in Japan
- bij de schilderkunst onderscheiden we in de Kamakura-periode drie zaken:
- boeddhistische schilderkunst: oude (statische) en nieuwe (beweging) stijl (golvende borstelstroken)
- rollen als soort stripverhaal met tekst en tekeningen: ze beelden de realiteit van het dagelijks leven uit
- portretten

Muromachi (1334-1573): 15de-16de eeuw
- shogunaat (heersers) trekt naar Kyoto
- eerste Portugezen in Japan
- beeldhouwkunst: priesterportretten (Zen) en noh-maskers (toneelmaskers)
- schilderkunst:
- zwart-wit schilderijen (typisch Zen): uitdrukking van het universele leven en geïdealiseerde natuur
- landschappen o.a. schilders Masanobu en Motonobu: harmonie tussen Japanse en Chinese stijlelementen

Momoyama (1574-1614): 16de-17de eeuw
- bouw van grote, versterkte kastelen bv. Himeji-kasteel
- projecten op grote schaal, o.a. ook grote wandschilderingen
- felle kleuren
- architecturale sculptuur
- decoratieve landschappen op deuren en schermen verder ontwikkeld
- o.a. schilders Eitoku (o.a. tijgers), Sanraku (bloemen)

Edo (Tokyo) (1615-1866): 17de-18de eeuw
- Japan is gesloten voor de rest van de wereld
- maskers en netsuke (gesculpteerde gordelknopen)
- schilderkunst: Tannyu: vele stijlen, grote elegantie=vernieuwing
- ontstaan van de UKIYO-E: genreschilderijen en blokdrukken (1ste maal door Matahei):
- onderwerpen: schoonheden, acteurs, erotiek (dan Shunga genoemd) o.a. Moronobu,
- 2de helft 18de eeuw: kleurdrukken: o.a. Utamaro

Meiji (1867-1926): 19de en begin 20ste eeuw
- het keizerlijk hof verhuist van Kyoto naar Edo (huidige Tokyo)
- invloed van het westen
- introduktie van westerse technieken in de beeldhouwkunst: plaaster model en casting
- ook Ukiyo-e met landschappen, bloemen, vogels
- blokdrukkunstenaars o.a. Hokusai en Hiroshige
- voor het eerst wordt perspektief gebruikt door Okiyo; gevolg: realisme neemt toe

Showa (1927-nu): 20e en 21ste eeuw
- invloed van het westen en assimilatie
- schilderkunst nu ook in naïve stijl en in westerse stijl

 

Periodisering

Overzicht met afbeeldingen van voorbeelden uit de schilderkunst, beeldhouwkunst, architectuur

 

 

2a. DE JAPANSE BLOKDRUKKUNST

Hokusai: De Grote Golf

Inleiding:

De oorsprong van deze techniek zou te zoeken zijn in China, in de 4de eeuw. De blokdrukkunst is in Japan ingevoerd, samen met het Boeddhisme via Chinese en Koreaanse monniken in de 6de eeuw. Oorspronkelijk was het een techniek gebruikt voor het reproduceren van teksten en vanaf de late 16de eeuw ook voor illustraties. Dit werd vnl. gestimuleerd door het Tokugawa shogunaat in de Edo-periode (1600-1868). Ook de aanmoediging tot boekenproductie ging uit van de shoguns.

De eerste illustraties waren zwart-wit. Vanaf de 17de eeuw ontstaat de kleurdruk, eerst in boeken en daarna zelfstandig. De eerste designer met reputatie was MORONOBU (1618-94), die vooral erotische prenten maakte, eerst in zwart-wit en soms met de hand ingekleurd.

De Japanse blokdrukkunst is gekend als UKIYO-E. Ukiyo betekent de "floating world" en wijst op het vergankelijke, vluchtige moment van het plezier en het entertainment in de hoofdstad, Edo (huidige Tokyo).

Politieke achtergrond:

De 16de en 17de eeuwse Tokugawa shoguns (het shogunaat erfde men van vader op zoon ) hadden als eerste politieke bekommernis de rivaliserende krachten van de gefragmenteerde feodale samenleving samen te houden. Dit deden ze in opdracht van de keizer, die zich zelf niet met politiek inliet.

De Tokugawa shoguns zetelden in het kasteel van Edo. Om de vazallen te verhinderen teveel macht te verwerven, ontwierpen ze een systeem waarbij ze zes maanden van het jaar in Edo moesten doorbrengen en hun familie het hele jaar door of minstens de tijd dat ze er zelf niet waren (als soort gijzelaars). Zo urbaniseerde Edo vlug, ontwikkelde zich een handelaarsklasse, consumeerden de samoerai meer dan ze konden en ontwikkelden zich allerlei vormen van stadsamusement. De stadsmensen verleenden de samoerai krediet en kregen zo invloed op hen.

Onderwerpen van de prenten:

Kabuki-acteurs in zgn. "mie"-stijl, d.w.z. voorgesteld in een bevroren poze

Yoshiwara: het plezierdistrict van Edo en de zgn.

Shunga : erotische prenten, die geen zegel van de maker dragen

Landschappen: deze werden lange tijd als tweederangsonderwerpen gezien in vergelijking met de Kabuki-acteurs en de Yoshiwara. Maar toen in 1820 de reisrestricties werden opgeheven kende de landschapsblokdrukkunst een grote bloei, met bekende namen zoals HIROSHIGE (1797-1858) en HOKUSAI (1760-1849).

Mythische onderwerpen en historische taferelen. Deze kwamen net als de landschappen maar laat tot ontwikkeling. Soms waren er arrestaties van tekenaars binnen deze categorie, omdat ze verdacht werden de spot te drijven met een shogun.

Taakverdeling:

Het initiatief voor een print komt van de uitgever, die een commerciele kans ziet. De kunstenaar maakt vervolgens een ruwe schets en in overleg met de uitgever worden de kleuren bepaald. Tijdens het productieproces zelf komt de kunstenaar nog nauwelijks tussen.

Techniek van de blokdrukkunt:

Vooraf dient opgemerkt dat het shogunaat aan de blokdrukkunst verschillende restricties oplegt, omdat ze zien dat het reproduceren van illustraties een machtig middel tot spot en kritiek is. Zo volgen heel wat beperkingen wat kleur, papiersoort en onderwerpen betreft, elkaar op. Zo is bv. tijdens een bepaalde periode alleen blauw of alleen rood toegestaan. Een andere keer worden enkel moraliserende onderwerpen getolereerd, dan weer worden Kabuki-acteurs als onderwerp verboden, enz.

De tekeningen moeten eerst voorgelegd worden aan een censuurcommissie.
De blokken werden niet bij de uitgever, maar in afzonderlijke studio's gekapt.

Om meer diepte te verkrijgen werden blokken soms twee- of driemaal bovenop elkaar gedrukt.

Stappen bij de realisatie van een blokdruk:

De voorbereidende schets of GAKO wordt in zwarte sumi-inkt uitgevoerd. Verbeteringen gebeuren door papiertjes op te plakken. Soms hebben we hier te maken met zeer ruwe schetsen, waarbij bv. enkel het gezicht is uitgewerkt en er annotaties worden verstrekt voor verdere uitwerking door de studio van de uitgever. Deze voorafgaandelijke schets wordt vervolgens door de blok-copieist uitgewerkt tot een gedetailleerd ontwerp, de HANSHITA_E, en aan de censuurcommissie voorgelegd.

Eens een ontwerp de goedkeuring heeft verkregen kan het reproductieproces van start gaan. De detailtekening wordt met de afbeelding naar beneden op het blok geplakt en een deel van het papier afgepeld, totdat de tekening in spiegelbeeld zichtbaar wordt. Of de tekening wordt ingeolied, zodat het papier transparant wordt. Het zgn. sleutelblok, tevens het eerste blok, of SUMI-blok geeft enkel de zwarte contourlijnen en verschaft zelf de ontwerpen van de kleurblokken. Op de hoeken van alle blokken zijn uitstekende deeltjes aangebracht, die dienen om de blokken juist te kunnen aligneren en de verschillende blokken in register te kunnen leggen. De duur van de volledige realisatie van een print varieert tussen de drie en de twintig dagen.

Link voor afbeeldingen en bijkomende informatie over de blokdrukkunst of Ukiyu-e

 

3. Beginselen van de JAPANSE MUZIEK
___________________________________

 

3a. HOOFDKENMERKEN VAN DE JAPANSE MUZIEK:
---------------------------------------------------------------------------------

1. Uitgesproken voorkeur voor het VOKALE genre. Oorspronkelijk waren zelfs de louter instrumentale delen bestemd als tussenspel bij vokale werken.

2. Groot belang van de THEATERMUZIEK. Japan kent verschillende theatervormen, die tot de dag van vandaag zeer populair zijn en ieder hun eigen publiek lokken.
Zo onderscheiden we:
      - het theater van de oudere intellectuelen: het NOH-theater,
      - het "volks"theater of KABUKI,
      - het poppentheater of BUNRAKU
De drie vormen gaan gepaard met muziek, zowel instrumentaal als vokaal.
De narratieve stijl is in Japan sinds oudsher zeer populair en wordt bij veel theatervormen dikwijls afgewisseld met instrumentale delen op SAMISEN (langhalsluit) of BIWA (korthalsluit).

3. Het maximale effekt bereiken bij middel van een opzettelijk beperkt materiaal, is eveneens een typisch Japans muziekkenmerk. Niet het aantal gebruikte instrumenten, doch eerder het geringe aantal effecten per instrument en de stereotype patronen, wordt hier bedoeld.
Samengevat kan men dus zeggen dat men een maximaal effect met minimale middelen beoogt.

4. Het gebruik van een zogenaamd elastisch of ademritme.

5. Veel Japanse muziek streeft een kamermuziekeffekt na, d.w.z. dat de individuele instrumentale lijnen afzonderlijk dienen gehoord te worden. Harmonie is omzeggens onbekend. Men denkt eerder lineair.

 

3b. OUDSTE VORMEN VAN JAPANSE MUZIEK:
------------------------------------------------------------------------

SHOMYO, of Boeddhistische gezangen en GAGAKU, of hofmuziek (Bugaku = een gagaku voorstelling met dans)
Beide genres zijn in oorsprong Chinees en de meeste Japanse muziek (op enkele uitzonderingen na) is in de loop van de gechiedenis beinvloed geworden door India, China en Korea.
Deze twee oudste vormen, Shomyo en Gagaku, dateren reeds van de Asuka- en de Nara-periode (6de - 8ste eeuw na onze tijdsrekening –afgekort n.o.t.-).


een bugaku-voorstelling

GAGAKU is orkestmuziek. Zoals in het gelijksoortig Koreaanse orkest vinden we volgende instrumenten ook bij de Gagaku terug:
      - hichiriki: een soort korte hobo
      - sho: mondorgel
      - soms ook ryuteki: dwarsfluit
      - gaku: een opgehangen trommel, bespeeld met twee stokken
      - shoko: een kleine opgehangen gong
Afhankelijk van het soort gagaku-orkest kunnen ook nog volgende instrumenten aanwezig zijn:
      - kakko: een kleine trom
      - san no tsuzumi: een grote zandlopervormige trommel
In concertgagaku-muziek worden soms ook snaarinstrumenten gebruikt:
      - koto: een dertiensnarige cither
      - biwa: een korthalsluit

Aan het hof is ook oude SHINTOMUZIEK bewaard, waarbij de vokale partijen begeleid worden door de hichiriki-hobo, het sho- mondorgel en o.a. een grote zessnarige cither die wagon-cither wordt genoemd. Dit laatste instrument zou het enige zuiver Japanse instrument zijn, hoewel het toch sterk lijkt op een Koreaanse cither.

De SHOMYO, of Boeddhistische gezangen kunnen zowel psalmodisch als melismatisch zijn opgevat. Slaginstrumenten worden meestal gebruikt om de verschillende delen van het ritueel van elkaar te scheiden.
Gebruikte instrumenten zijn:
      - Hachi: cymbalen
      - Nyo: gong
      - Kei: een opgehangen metalen plaat
De term Shomyo is afgeleid van het Sanskrit "Cabda-vidja", wat "heldere stem" betekent.
Het ritme van deze muziek is vrij, op een paar uitzonderingen na.
De rituelen zijn driedelig opgebouwd.

3c. DE THEATERMUZIEK
---------------------------------------

      1. NOH:

Het Noh-theater gaat terug op oudere vormen.
Voorlopers Heianperiode 907-930 n.o.t. (10de eeuw)
Bloei Kamakura- en Muromachi-periode (12e-15e-16e eeuw)

Bij het Nohspel wordt zowel door de verschillende solisten als door het unisone koor gezongen.
Instrumenten gebruikt bij Noh:
      - nokan: dwarsfluit
      - ko tsuzumi: schoudertrommel met twee vellen, zandlopervormige klankkast
      - o tsuzumi: trommel met twee vellen, zandlopervormige klankkast
      - taiko: vloertrommel, gebruikt bij de dansen

De beide tsuzumi-trommels zijn het sterkst verbonden met de zangstem. De spelers gebruiken stemklanken om de tijdsindeling duidelijk te maken: zij roepen hierbij het bij Noh zo typische "Yo" en "Ho".

noh-maskers voor vrouw, noh-vrouw maakt wenend gebaar, oude man

het vervaardigen van een noh-masker

 

      2. KABUKI:

Bloeiperiode: 17de-19de eeuw n.o.t.
Afkomstig van de Nembutsu-odori (Boeddhistische volksmuziek en –dans)
Het volkstheater Kabuki zou onstaan zijn uit de dansen van een tempeldanseres, die naar de stad Kyoto trok om er door haar optredens voldoende geld in te zamelen voor de herstelling van de tempel. Ze speelde op het grasveld langs de rivier aan de stadspoorten van Kyoto (de Chinese tekens voor het woord Kabuki tonen nog steeds het gras in pictogram) en kreeg reeds gauw het gezelschap van een Samoerai (Japans traditioneel krijger), die samen met haar de opvoeringen verzorgde. Ze hadden zoveel succes en de tempeldanseres ging zoveel van Kyoto houden, dat ze niet eerder dan na de dood van de Samoerai terugkeerde. Toen was ze reeds een oude vrouw. Uit de bevolking die haar had zien optreden ontstonden verschillende uitgebreide Kabuki-ensembles, die ook allerlei muziekinstrumenten gebruikten. Zelfs prostituees gingen nu op het grasveld spelen en uiteindelijk werden vrouwen verboden nog langer optredens te verzorgen. Vanaf dat ogenblik tot de dag van vandaag is Kabuki een uitsluitend mannentheater geworden. Zij spelen op meesterlijke wijze ook de vrouwenrollen en imiteren zowel lichaamstaal als stem.


kabuki-acteur

Bij het huidige Kabuki-theater zijn drie groepen instrumentisten betrokken:
      1. Een ensemble trommelspelers met fluit- en samisenspeler op het podium. Zoals bij het Nohtheater sluiten de trommelspelers het dichtst aan bij de zang.
      2. De narratieve muzikant: een samisenspeler en zanger, ofwel op het podium of links van het podium (cfr. Bunraku).
      3. Een groep zangers, samisenspelers, fluiten, trommels, gongs en bellen die zich "off-stage" bevinden en voor de diverse geluidseffekten en sferen moeten zorgen.

 

      3. BUNRAKU

Net zoals Kabuki is Bunraku van recentere datum dan Noh. Beiden stammen uit de zgn. Edo-periode (17e-19e eeuw; Edo=Tokyo), waaruit de meeste nu gespeelde traditionele muziek dateert.
Bunraku is een poppentheater, waarbij een zanger, die alle stemmen en het verhaal vertolkt, begeleid wordt door de SAMISEN (driesnarige langhalsluit), ook SANGEN genoemd.(san= het getal 3 in het Japans) De zanger trekt hierbij zeer expressieve grimassen.

De levensgrote poppen worden door drie akteurs, die zichtbaar zijn, doch in zwarte doeken gehuld, bewogen. De minst ervaren poppenspeler bedient de voeten, de tweede ervaren speler de linkerhand en de meester de rechterhand en het hoofd, waarvan verschillende onderdelen, tot de wenkbrauwen toe, bewogen kunnen worden.

Boeiende link

 

3d. DE INSTRUMENTALE (VOKALE) JAPANSE MUZIEK
------------------------------------------------------------------------------------

Veel gebruikte instrumenten:
KOTO
SAMISEN of SANGEN
BIWA
SHAKUHACHI

SHAKUHACHI:



 

LUISTERVOORBEELDEN JAPANSE SHAKUHACHI (CS927)

Uitvoerder: Reibo Aoki

  1. Shakuhachi solo: OSYU-SASHI (19de eeuw) (ca. 8 min.)
    -------------------------------------------------------------------------------------
    Een "sashi" is een melodie typisch voor een Komuso-bedelmonnik. Iedere monnik had zijn eigen melodie, die hij als inleiding, als soort ‘handtekening’ of herkenningsmelodie speelde, wanneer hij op bedeltocht ging. Komuso-bedelmonniken droegen immers een rieten hoofddeksel, dat hun gezicht verborg.

    Deze sashi is een melodie van een 19de eeuwse monnik JINBO, die deze "handteken-melodie speelde van 1841 tot 1914

    Alle karakteristieken van het traditionele Zen-repertoire voor Shakuhachi komen voor in dit werkje.
     
     
  2. Twee Shakuhachi: SHIKA NO TONE 18de eeuw) (ca 11 min.)
    ---------------------------------------------------------------------------------------------
    Twee shakuhachi spelen om beurten en komen qua dramatische expressie geleidelijk dichter bij elkaar.

    Thema: een mannelijk en een vrouwelijk hert roepen naar elkaar van de ene dichtbeboste bergtop naar de andere. Toch is het werk geen programmamuziek, want het kan geinterpreteerd worden als een uiting van de menselijke gemoedstoestand.
    De uitvoering vandaag de dag kan gezien worden als een contemplatie van de realiteit waarin de hedendaagse uitvoerder en luisteraar zich bevinden.
     
     
  3. Shakuhachi en Samisen (Sangen): MEIKYO (1975) (ca. 13 min.)
    -------------------------------------------------------------------------------------------------
    Shamisen: Japanse langhalsluit met 3 snaren (zie verder). Bespeeld met groot plektrum.

    Het werk is een onderzoek naar de gelijkgeaardheid van Shakuhashi- en Samisen-"ritmes" (timing gebaseerd op ademhaling en frasering)
     
     
  4. Shakuhachi en Koto: MIDARE (17deeeuw) (fragment)
    ----------------------------------------------------------------------------------
    Hier speelt de Shakuhachi de begeleidende melodie en de koto (cither) de hoofdmelodie.
    Midare=wanorde: hiermee wordt het vrij varierend tempo bedoeld.
     
     
Belangrijkste Bibliografie:
William Malm , Japanese Music and Musical Instruments
Ch.Tuttle, Tokyo 1978, p.151-164
Jean Jenkins, Man & Music, Royal Scottish Museum 1983
 
Afbeeldingen: Malm , Jenkins p. 46, SL LP9047, Kyoto Journal 1989 nr.12, p.38

Naast de samisen-vokale werken ontstonden ook koto-vokale werken. Meestal wisselen vokale en instrumentale delen elkaar hierbij af. De shakuhachi komt evenwel het best tot zijn recht in de solistische werken, waarvan sommige zeer oud zijn en tot de Zen- Boeddhistische traditie behoren.

De kamermuziek of SANKYOKU bestaat in de meest voorkomende gevallen uit een kombinatie van koto, samisen en shakuhachi.

DIDAKTISCH MATERIAAL
---------------------------------------------------------------------
CS282, CS579, CS927, CS928, CS929, CS773, CS1063 CD’s en video’s
lesvolgorde:
CS 929: Gagaku
CS 282: Shomyo (Tendai sekte)
CS 1063: Japanse Monniken
CS773: Buddhist Wedding (Junko Ueda & Wil Offermans)(Tendai sekte)
CS 928: Noh
CS 929: Kabuki en Bunraku
CS 927: Shakuhachi (Reibo Aoki)
CS 579: Shakuhachi (Iwamoto)
CS 928: A Crane on the Nest (traditioneel)
CS 929: Skakuhachi en Koto
CS 928: Koto, zang, Shamisen, Shakuhachi
CS 927: Biwa (Junko Ueda)

Video: National Treasures of Japan
DVD: Hokusai,"De Grote Golf"