CHINESE BEELDENDE KUNST

 

In China worden zeer veel archeologische opgravingen verricht. Deze interesse motiveert men als volgt t.o.v de Chinese politici: de verschillende vondsten leveren ons het bewijs van de verdrukking van het Chinese volk in het verleden. Toch zijn alle voorwerpen die wij opgraven vervaardigd door werklui die tot de volksmassa behoren. Zij geven ons eveneens een beeld van de door hen gepresteerde arbeid. Hoewel de voorwerpen voor en in opdracht van de heersers werden gemaakt, getuigen zij niet hun grootheid, maar zijn zij het bewijs van de vaardigheid van de slaven en de werklieden.

1. Neolithicum: 4.000 a 2.500 v.o.t. tot 1.500 v.o.t.

- beschilderd keramiek: de motieven worden ook bij latere bronzen teruggevonden

- jade: zeer harde steensoort, die niet met metaal, maar enkel met een hardere steensoort bewerkt kan worden. De jade was afkomstig uit Chinees Turkestan (ten N. van Indie). Uit deze jade werden rituele voorwerpen gemaakt, die tijdens het leven werden gebruikt, maar als hoofddoel hadden in het graf te worden meegegeven. Men schrijft jade een magische kracht toe. Voorbeelden van teruggevonden objekten: bijlen, mespunten, schijven ( "pi" genaamd; deze "pi" zijn een hemelsymbool)

2. Het tijdperk van de slavernij: o.a. Shang en Chou-dynastie en de Periode van de Strijdende Staten: 1.500 v.o.t. tot 250 v.o.t.

Vooral rituele bronzen, vervaardigd met de verloren wastechniek. Het gebruik komt overeen met dit van de jaden voorwerpen. O.a. huisurnen met het zgn. verslindermonster.
De kenmerken van deze bronzen zijn:
- horror vacui (angst voor het lege)
- spiraalversiering (vergelijk met de jaden objekten)

- gestileerde diermotieven

Gedurende het tijdperk van de slavernij kwam het vrij veelvuldig voor dat de slaven, vrouwen en dieren van de overleden heerser samen met hem werden begraven. Soms nam dit de vorm van mensenoffers aan.

 

DE CHINESE FEODALITEIT (tot aan de revolutie)

3) Han-dynastie: 250 v.o.t. tot 250 n.o.t. (valt samen met het Romeinse Rijk in het Westen)

Lakwerk: lak is afkomstig van de lakboom. Het is een stroperig boomsap, dat eerst dient gezeefd en verhit te worden en dat uit zichzelf onder invloed van hoge luchtvochtigheid en water polymeriseert . Men bewaart het in luchtdichte vaten. Lak kan vermengd worden met kleurstoffen. Eens gepolymeriseerd kan water het niet meer aantasten. Lak wordt gebruikt als beschermlaag op hout (soms eerst bekleed met hennepdoek), maar kan ook aangebracht worden op leder, bamboe, metaal, enz. Men dient lak laagje per laagje op te brengen en een geruime tijd tussenin te wachten om het eerst volledig te laten drogen en uitharden. De meest voorkomende kleuren zijn rood en zwart.

Zijde: de eitjes van de zijderups werden in de zakken van kledingstukken uitgebroed. Vervolgens moet men wachten tot de rups een cocon vormt. Deze worden in heet water afgewikkeld. Het weefgetouw was reeds in de Handynastie gekend.

Jaden grafkledij: sommige heersers lieten zich in een kleed, samengesteld uit jaden plaatjes, begraven, in de hoop zo niet te verrotten. Het was een hels werk de plaatjes eerst dun uit te kappen en vervolgens ook nog op de vier hoeken te doorboren. Ze werden aan elkaar bevestigd met goud- of zilverdraad, afhankelijk van de rang van de overledene.

 

4) De zes dynastieen en Tang (250 - 600 - 900 n.o.t.)

Vooral de beeldhouwkunst is hier van belang. Voor de Han-dynastie treffen we zeer weinig rondsculptuur aan. De stijl beperkte zich toen in hoofdzaak tot de dierstijl.

a. Pre-Boeddhistisch: Steppevolkeren: dierstijl

b. Boeddhistisch: (sinds de eeuwwisseling). De Boeddhabeelden zijn dikwijls zeer onrealistisch (verhouding lichaam-hoofd). Men hecht minder belang aan de esthetische waarde. Het gaat hier eerder om de afbeelding van een historische figuur. Men treft vaak groepsbeelden aan: Boeddha samen met bodhisattva's. Bodhisattva's zijn boeddha's die verkozen hebben de mensen te helpen en dus onder de mensen blijven i.p.v. het nirwana binnen te treden. Zij worden nooit in mediterende houding afgebeeld.

 

5) De Tang-dynastie (600-900) en de vijf dynastieen (600-900 - 1.000 n.o.t.)

In deze periode is vooral de productie van keramiek van belang:

- de ontdekking van wit porcelein, gebakken op een zeer hoge temperatuur.
- geglazuurd aardewerk, de zgn. "sansai" of 3-kleuren keramiek, die met zuurstoftoevoer (oxiderend) of zonder (reducerend) kon worden vervaardigd, wat verschillende kleuren tot gevolg had. "Sansai" vinden we o.a. toegepast op de grafruiters.

 

6) Sung- en Yuan-dynastieen (1.000-1300 - 1.400 n.o.t.)

De schilderkunst neemt nu een vooraanstaande plaats in. De oudste schilderingen stellen Boeddha en legendarische figuren voor. Na de Tang-dynastie schildert men hoofdzakelijk landschappen en natuurelementen (dieren, enz.). De bamboe wit-zwarten zijn het symbool van een stoicijnse levenshouding. Men schildert op papier (papier zou reeds tijdens de Han-dynastie zijn uitgevonden) en op zijde.

Kenmerken van de landschapschilderkunst:
- vogelvluchtperkspektief: hoe verder hoe hoger voorgesteld
- ruimte wordt gesuggereerd door het lichter worden van de kleuren naar de achtergrond toe

 

Tijdstabel met de verschillende dynastieen

Boeiende Link

 

ARCHITECTUUR:

a. urbanisatie: zeer zelden wordt het centrum van een Chinese stad ingenomen door hoge gebouwen (zoals dit wel het geval is in vele westerse steden). De omringende stadsmuur domineert het geheel. De stadsmuur wordt aanzien als het belangrijkste gebouw. Men gebruikt tenandere ook hetzelfde woord voor muur en voor stad.

De stad wordt door een as in twee delen verdeeld. De belangrijkste gebouwen bevinden zich in het noordelijke deel. De poolster staat immers in het noorden. De woonwijken liggen in het zuiden.

b. de pagode: vroeger werd hiermee enkel de tempel van de moedergodin in India aangeduid. Nu wordt deze term gebruikt voor elke godsdienstige toren met horizontale geledingen. Meestal gaat het om Boeddhistische gebouwen. De vorm van de pagode zou ontstaan zijn uit het zonnescherm, het symbool van Boeddha, op de Indische stoepa's (gedenkheuvels).

 

 

CHINESE MUZIEK

De geschiedenis van de Chinese muziek kan in vier grote periodes worden opgedeeld:

  1. De vormende periode: 1.000 v.Kr. : 500 n.Kr.
          (voornamelijk Chou en Han dynastie)
  2. De internationale periode : 500 n.Kr. - 10e eeuw n.Kr.
          (voornamelijk de Tang dynastie)
  3. De nationale periode : 10e eeuw - eind 19de eeuw
          (belangrijkste dynastie: Sung)
  4. De hedendaagse tijd vanaf 1911

 

 

1. DE VORMENDE PERIODE:
__________________________

Ocarina's uit klei vervaardigd en stenen "klokken" zijn de oudst bekende instrumenten. Reeds vanaf 1.000 v.Kr. werden ze gebruikt. Andere instrumenten uit meer vergankelijk materiaal waren waarschijnlijk ook bekend, doch werden niet teruggevonden. Uit de oude geschriften weten we dat er allerlei festivals werden gehouden en ceremoniën voornamelijk ter ere van de voorouders.

Muziekuitvoeringen werden door de toonaangevende filosoof Confucius (551 v.o.t. – 479 v.o.t.) als ethisch positief beschouwd.

 

1a. Ontstaansmythe van de muziek:
-------------------------------------------------------

Even na 3.000 v.Kr. zou de Chinese keizer een man, genaamd Ling Lun, er hebben op uitgestuurd om in de westelijke heuvels bamboestengels te snijden. Deze stengels moesten de basistoonhoogten voor de muziek vastleggen. Alleen op die manier zouden de toonhoogten harmonieren met de krachten van het universum.
De bamboestengels werden de LU'S genoemd.

Deze mythe is belangwekkend omwille van het feit dat het ontstaan van de Chinese muziek in het westen van het rijk werd gesitueerd. Via deze westelijke grenzen drongen immers veel buitenlandse invloeden tot in de Chinese muziek door.
Verder kunnen we er ook uit afleiden dat de oudste muziek een ceremonieel gebruik kende, vermits men bezorgd was om de harmonie met het universum.

Musici moesten samenwerken met astrologen om de verschillende lengtes van de keizerlijke Lu's definitief vast te leggen en ze op die manier in overeenstemming te brengen met alle natuurelementen, evenals met de bovennatuur. Deze aldus bepaalde toonhoogten vormen de basis van het Chinese toonsysteem, dat tot de dag van vandaag gebruikt wordt.

 

1b. Het Chinees toonsysteem:
-----------------------------------------------

In tegenstelling tot b.v. het Indisch toonsysteem is het Chinese toonsysteem niet op basis van verdelingen van het oktaaf ontstaan. Het is daarentegen CYCLISCH (voor zover men zich beperkt tot de notennamen en niet tot de frekwenties). Het ontstond door de cyclische tonenreeks verwekt door het blazen op de rand van een reeks bamboepijpen met verschillende lengtes en alle aan een uiteinde afgesloten. De lengtes stonden in mathematische verhoudingen tot elkaar.

De toon van de langste pijp werd de "Gele Klok" genoemd. De opeenvolgende tonenreeks werd bekomen door een tweede pijp te nemen die 1/3 korter wasdan de basispijp. De derde bamboestengel was dan weer 1/3 langer dan de tweede, de 4de 1/3 korter van de derde enz...., tot men uiteindelijk vijf toonhoogtes bekwam, die steeds een kwint stijgen en een kwart dalen:

bv.:
do (Kung)
sol (Chih)
re (Shang)
la (Yu)
mi (Chiao)

De twee volgende toonhoogtes:
si (Pien Kung)
fa-kruis (Pien Chih)
werden de "veranderende" (Pien) tonengenoemd en werden als overgangsnotengebruikt

Er waren steeds 12 Lu's, doch slechts de eerste vijf werden gebruikt voor de Chinese pentatonische basisreeks. Door vervolgens eender welke Lu-toonhoogte als eerste te gebruiken, kon men verschillende pentatonische reeksen konstrueren. De aldus bekomen reeksen waren evenwel niet- getemperd. Reeds vanaf de 6de eeuw v.Kr. zijn er pogingen ondernomen om tot een getemperde stemming te komen, die evenwel pas tijdens de Ch'ing dynastie (1644-1911) werd ingevoerd.

De twaalf chromatische Lu-toonhoogtes werden soms gesplitst in twee reeksen van zes, volgens de stijgende kwint of dalende kwart die tot de toon aanleiding gaf. Deze werden dan in overeenstemming gebracht met de metafysische principes van Yin en Yang. De noten van de hoogste reeks zouden volgens deze principes gezongen zijn door de mannelijke phoenixvogel en deze van de laagste reeks door de vrouwelijke.

De pijpen van de keizerlijke panfluiten werden volgens deze orde gerangschikt en de hoforkesten van de Chou dynastie gebruikten een afzonderlijke reeks bronzen klokken en een reeks stenen voor de onderscheiden Yin- en Yang-tonen.
Ook werd er een overeenstemming gezocht tussen de twaalf aanvaarde toonhoogtes en de twaalf maanden van het jaar of de twaalf uren. Zo harmonieerden de vijf tonen van de pentatonische reeks eveneens met de vijf richtingen (noord, zuid, oost, west en centrum), de vijf elementen enz.

 

1c. De instrumenten:
---------------------------------

De muziekinstrumenten werden geordend volgens acht klankkleuren, op basis van het materiaal waaruit ze vervaardigd waren: aarde, steen, metaal, vel, hout, bamboe, kalebas en zijde.

Hout :
  - YU: een gehurkte tijger met houten latten op de rug, die met een gespleten bamboekwast werden aangewreven om het einde van een stuk Confuciaanse rituele muziek te markeren.
  - CHU: een houten doos, aangeslagen met een stok die door een gat in de bovenplank zat.

"templeblock": holle houten "woodblock", waarvan de vorm is afgeleid van een vis

Bamboe :
    - P'AI HSIAO: panpijpfluit (samengebonden Lu's)
    - HSIAO: rechte fluit
    - TI: dwarsfluit

Kalebas :
    - SHENG: mondorgel met zeventien bamboepijpen die samen in een kalebasvormige windkast zitten. Iedere pijp is voorzien van een vingergat, dat gesloten moet worden eer de pijp kan klinken. Op het uiteinde van iedere pijp in de windkast zit een riet.
De klank van de Sheng is de imitatie van de roep van de phoenixvogel en de vorm van het instrument zou doen denken aan de vogel met geplooide vleugels.
(Verwant aan de Japanse SHO van het Gagaku-orkest.)

Zijde :
    - SE: cither met 25 snaren, rustend op beweegbare bruggen
    - CHENG: dertiensnarige cither met verplaatsbare bruggen

 


    - CH'IN: de meest bekende Chinese cither met zeven snaren, doch zonder bruggen of fretten. Het instrument werd geassocieerd met Confucius en de intellektuelen van het Oude China. De snaren zijn gestemd volgens de hogervermelde pentatonische reeks met de twee Pien-toonhoogten.

 

 

Over de volksmuziek in deze eerste periode is niet veel geweten, daar de schrijvers allen behoorden tot de Confuciaanse hoven. Wel kunnen we met zekerheid beweren dat vele hofliederen gebaseerd waren op volksliederen.

De hofmuziek werd onderverdeeld in rituele muziek en banketmuziek.
De rituele muziek werd opgesplitst in militaire en burgerlijke vormen.

Tijdens de Han dynastie werd een regeringsbureau voor muziek geinstalleerd, dat naast de Lu-stemming ook de maten en gewichten moest kontroleren. Bronzen bellen vervingen tenslotte de Lu.

 

 

 

2. DE INTERNATIONALE PERIODE: (500 n.o.t.-10e eeuw)
_________________________________________________

Tijdens deze periode wordt vooral het noorden van China sterk beinvloed door buitenlandse muziek. Deze vreemde invloed zal langzamerhand ook tot in Zuid-China doordringen. Kortom er komt een nieuwe kategorie muziek bij: de vreemde muziek.

Muziek voor militair slagwerk, trompetten en hobo's, evenals Tartaarse ruitergroepen worden populair.
De Indische muziektheorie krijgt vat op de Boeddhistische zangstijl.
Ook Iraanse, Tibetaanse en Koreaanse invloed is te bespeuren.

Nieuwe muziekinstrumenten worden geintroduceerd: vooral cymbalen, een Assyrische harp en getokkelde luiten, waarvan sommige tot op Oud-Egyptische instrumenten zouden teruggaan. Vooral de chordofonen ondergaan een grote verandering.

P'IP'A:
een peervormige korthalsluit met vier snaren wordt de dominante luit van de Tang dynastie. Deze P'ip'a wordt zowel als solo-instrument als als vokaal begeleidingsinstrument gebruikt.

HU CH'IN:
een tweesnarige Mongoolse vedel verschijnt iets later op het toneel. Letterlijk dan, want het wordt eerst in het theater en pas later aan het hof gebruikt.

 

Langzaam wordt het muzikale centrum verlegd van het hof en de Confuciaanse riten naar de publieke podia en de huizen van rijke handelaren.

 

 

3. DE NATIONALE PERIODE: (10e eeuw – 19de eeuw)
________________________________________________

Nieuwe muziektheoretische studies worden geschreven en de gezongen poezie kent een sterke bloei.

Hier kunnen twee zangstijlen onderscheiden worden:
- De "Shih"-stijl baseert zich op de intonaties van de gesproken taal (het Chinees is immers een toonhoogtetaal).

- De "Tz'u"-stijl is vrijer en wordt vooral bij theatermuziek gebruikt.

Theatermuziek:
-----------------------
Drama wordt een dominerende expressievorm vanaf de Sung dynastie (906-1279). Aanvankelijk stonden ook hier twee stijlen op gelijke voet:
- de zuidelijke vorm gebruikte de pentatonische reeks en gaf de voorkeur aan de fluit,
- de noordelijke gebruikte zeven toonhoogten en verkoos de p'ip'a.

 

Zo kwamen reeds vlug de verschillende vormen van CHINESE OPERA (HSI CH'U) tot stand. Deze "opera" mag evenwel niet vergeleken worden met de westerse opera, hoewel zang, akteren en instrumentale muziek ook hier hand in hand gaan.

Zangstijlen van de Chinese Opera:

De Chinese opera wordt gekarakteriseerd door een zeer grote verscheidenheid: een driehondertal varianten zijn gekend.
Niet alleen de tekst, maar ook het toonsysteem, de begeleiding, de zangtechniek en de muzikale struktuur verschillen.
Zo is bv. de hoge nasale falset-zang typerend voor de meest gekende en succesvolle operavorm: de PEKING OPERA.

De Cantonese variant daarentegen wordt gekenmerkt door een eerder lage open stemplaatsing en zachtere instrumentatie, o.a. de zgn. vlinderharp of YANG CH'IN, die evenwel geen harp is doch een instrument verwant aan de Iraanse santur (hakkebord).

In de Chinese opera komen zowel instrumentale delen (als dans- en pantomine-begeleiding), als vokale recitatieven en aria's aan bod. Voor de recitatieven of lian ch'u worden standaard korte stukken gekozen, die de sfeer van het gebeuren karakteriseren. De tekst volgt een strikt poetisch patroon. Deze delen werden ook in de oudste operavormen, daterend van de Sung dynastie, gebruikt. Voor de aria's of ban ch'iang worden eerder stereotype melodieën i.p.v. volledige stukken gebruikt. Deze melodieën worden eindeloos gevarieerd en aangepast aan de sfeer van het drama. Ritme speelt hier een belangrijke rol. Vandaag de dag worden beide vormen gekombineerd in eenenkele opera.

Instrumenten van de Peking Opera:

a) slagwerk:

Het succes van de Peking opera is vooral te danken aan de kombinatie van verschillende elementen uit diverse regionale stijlen. Kenmerkend is de oorverdovende gongpassage die elke scene inluidt. Zwaardzwaaiende akrobaten enz. zijn niet vreemd aan het geheel.

Het dekor is symbolisch, uiterst sober, tot praktisch onbestaand. Zo kan een tafel of een omgegooide stoel een heuvellandschap symboliseren. De akteurs introduceren niet alleen zichzelf, maar vertellen ook hun korte levensschets en de situatie waarin ze zijn beland, zodat het dekor overbodig wordt. Zij akteren zeer suggestief en vele handelingen zijn symbolisch. Tussen twee gele vlaggen staan betekent bv. in een koets zitten.

Het opera-orkest zit op het podium en gehoorzaamt de leider van de groep die een membraaninstrument bespeelt: de PAN KU. Hij zorgt voor de basistijdsindeling van het stuk en baseert zich op de zanger of zangeres, die ervoor zorgt iedere laatste noot lang aan te houden, teneinde een teken te geven aan het orkest dat ze moeten ophouden met spelen. Geschreven partituren bestaan immers niet en een exact samenspel hangt volledig af van dergelijke tekens.

Slaginstrumenten, zoals gongs (lo), cymbalen (po) en trommels worden gebruikt voor oorlogsscenes en militaire delen. Ook de dubbelriet hobo, de SO NA, wordt hierbij gebruikt. Burgerlijke en huisscenes gebruiken naar gelang de sfeer diverse instrumenten, doch de tijdsaanduider de PAN KU of TANPI KU en de gestreken vedel zijn steeds aanwezig.

Chinese trommels

sona of chinese hobo

De PAN KU bestaat uit een vel over een aantal houten samengebonden planken gespannen, op zo'n manier dat slechts een kleine holte in het midden onder het membraan zit en het instrument dus meestal een harde krakende houttoon produceert, die boven de andere instrumenten uit te horen is. Soms worden ook dikke houten stokken een soort castagnetten en woodblocks gebruikt als vervanging of aanvulling van de pan ku.

b) gestreken snaarinstrumenten:

De gestreken vedel is de Mongoolse HU CH'IN. De twee snaren van dit instrument worden niet tegen de hals gedrukt, doch de vingers strijken langs de snaren. De snaren zijn volgens een kwint gestemd en lopen parallel met de slangehuid, die over de klankkast is gespannen.

Net zoals bij de ERH HU, die dikwijls het Mongoolse instrument doubleert, is het haar van de strijkstok tussen de twee snaren geweven. De erh hu speelt evenwel een oktaaf lager dan de hu ch'in en is dan ook groter. De klankkast van de erh hu is ofwel hexagonaal ofwel rond. Soms speelt ook een viersnarige vedel of HU HU mee.

erh hu

c) getokkelde chordofonen:

De meest frekwent gebruikte tokkelinstrumenten van de Chinese opera zijn de P'IP'A, de YUEH CH'IN en de SAN HSIEN. De yueh ch'in en sommige grote san hsien hebben een dunne metalen plaat of strip in de houten klankkast zitten, waardoor de resonantie verhoogt.

d) aerofonen:

ti tzu

De dwarsfluit TI TZU wordt als melodie-instrument gebruikt, samen met de SHEN. Dit mondorgel zorgt meestal voor een begeleiding opgebouwd uit kwarten en kwinten.

shen

***

Theaterstukken met SCHADUWPOPPEN worden ook naast de opera’s opgevoerd. Een kleine groep opera-istrumenten wordt off-stage gebruikt. De poppenspeler is tevens de verteller. Er bestaan twee tradities bij dit schaduwtheater: de eerste vorm wordt de tan tz'u genoemd en wordt begeleid door de p'ip'a. Deze vorm is te vergelijken met de aria's uit de opera's, zoals hoger besproken. De andere vorm is de ta ku tz'u, naar een kleine trommel die wordt gebruikt als begeleiding. De zanger speelt meestal een soort castagnettes met de linkerhand, terwijl hij met de rechterhand de trommel bespeelt. Soms is er ook een san hsien speler bij deze tweede soort schaduwtheater aanwezig.

 

Zuiver Instrumentale muziek:
-------------------------------------------

Naast de vokale muziek kende ook de zuiver instrumentale muziek een hoogtepunt. Tot op de dag van vandaag wordt de p'ip'a bij voorkeur gebruikt voor "oorlogs"-komposities, waarin het wapengekletter wordt gesuggereerd.

De ch'in komposities zijn daarentegen eerder impressionistisch of zuiver abstrakt.

Ook de kamermuziek ontwikkelt zich, waarbij de p'ip'a gebruikt wordt in kombinatie met nieuwere snaarinstrumenten zoals de ERH HU: een tweesnarige vedel, waarvan de boogharen tussen de snaren vast zit.

SAN HSIEN: een driesnarige getokkelde langhalsluit, waarvan de klankkast net zoals bij de erh hu overtrokken is met slangevel.

YUEH CH'IN: of maan-gitaar met vier snaren.

maan-gitaar

Ook aerofonen worden in kamermuziek gebruikt, zoals de hoger vermelde HSIAO of recht aangeblazen fluit met vier vingergaten aan de bovenzijde en een achteraan. De TI of dwarsfluit met zes vingergaten. Een gat dicht bij de mondopening wordt bedekt met een dun rijstpapiertje, waardoor een zinderende klank ontstaat.

 

 

4. DE HEDENDAAGSE TIJD:
_________________________

Veel westerse invloed is momenteel waar te nemen in de Chinese muziek. Het meest opvallende feit bestaat in de introduktie van de unisone zangwijze en de koorzang, voorheen onbekend in China.

 

De Chinese opera werd onder invloed van het Maoisme sterk veranderd. Vooral thema's die verband hielden met de arbeidersklasse kwamen aan bod. Uit het traditionele repertorium werden alleen thema's over de klassestrijd overgehouden. Na de periode van Mao werden de oude onderwerpen evenwel terug in eer hersteld.

 

 

***