Dr.Godfried-Willem RAES

Kursus Experimentele Muziek: Boekdeel 9: Literatuur en Aktualiteit

Hogeschool Gent : Departement Muziek


<Terug naar inhoudstafel kursus> 1982-2014 ARCHIVAL

[ origineel september 1982/ revizie 07.05.1986]

9000:

1982: De dood van de avant-garde

Het is een bekend verschijnsel dat het baasje na verloop van vele jaren verdacht sterk op zijn hond gaat gelijken.Hun leefwerelden gaan geleidelijk aan samenvallen en hun horizon sluit zich in een centripetale spiraal uitmondend in hun dood. Zo ook laat zich de relatie tussen de kritiek van de avant-garde en die avant-garde zelf vandaag de dag omschrijven. De kritiek samen met de instituties waarbinnen zij functioneert, musea, koncertorganisaties, gallerijen (in zekere zin emanaties van die kritiek, want, toegepaste kritiek) die zich in de loop der zestiger jaren moeizaam heeft laten verleiden tot het nemen van een hondje, de avant-garde- een rashondje, dat wel-, ziet nu naast haar eigen grijzende haren, de aftakeling van haar mankgeworden hond. Fifi huppelt niet meer dartel en bijt niet meer in baasjes broek. Fifi is braaf geworden. Fifi heeft kale plekken en baasje blinde vlekken. Toch blijft Fifi de hond uit de duizend en in de verbeelding van de eigenaar bestaat er natuurlijk geen betere hond. De baas kijkt alleen nog uit naar honden, de objecten uit zijn leefwereld die hij alleen deelt met andere baasjes van andere honden. Daardoor heeft baasje natuurlijk niet ontdekt dat hondje vlooien heeft, want wie een hond kweekt, kweekt ook vaak vlooien (luizen en wormen doen het hier ook). Maar vlooien verlaten steeds de gastheer voor diens nakende dood, zoals de ratten een zinkend schip, en zo heeft baasje het ontstane vlooiencircus niet gezien. Een vlooiencircus, de onvermijdelijk-nieuwe en door de baasjes ongeziene avant-garde, die nu op mensen huist. Vele baasjes aan wie een langer leven beschoren is dan aan hun hondjes, bleven maar naar nieuwe hondjes uitzien. Maar, geen hond vermocht echt baasjes verkalkte hart te beroeren. Er zijn geen goede honden meer. Alleen nog lieve bastaards. De baasjes verklaren de avant-garde dood.

Maar de avant-garde is niet dood: organisatoren en kritiek kregen alleen maar blinde vlekken voor vlooien, wat hun moet vergeven worden. Immers, zoals de volksmond zegt, de oude dag komt niet alleen. vlooien, hoeveel ook in getal, zijn klein en levendig en niet zo goed zicht baar. Ook lenen ze zich niet zo best om aan de leiband mee te paraderen op het forum. De hondjes hebben ook steeds de baasjes nodig gehad. Honden zijn nu eenmaal autoritaire dieren. Ze eisen hun volle aandacht op, en zijn ook erg jaloers. Het hondje van de jaren '50 tot '70 flirtte graag met de macht, kon pronken met zijn welomschreven karaktertrekken, bepaald in zijn ras. Het was van adelijken bloede.

Met enkele van die nu gestorven hondjes, werd ooit eens gekweekt. Vlug had men een hele kennel. Dat was in Darmstadt. Hoewel ze met een Stock in Haus werden opgevoed, verzorgden de fiere baasjes de kennel erg goed en zochten een warm en veilig nestje voor de vele nazaten in de hele wereld. Er werden ook vele hondententoonstellingen, zelfs permanente (onder de naam IRCAM is er thans nog steeds een te zien in Parijs) op touw gezet. Er waren vele en mooie prijzen.

In Amerika echter was er ook een grote kennel. Die had evenwel in Europa niet zo'n goede reputatie. Vele hondjes die daar werden gekweekt, zaten reeds van bij de geboorte vol vlooien. Een van die hondjes raakte daardoor erg berucht in de Europese kennels. Het heette Cage, wat in het Engels kooi betekent, en het kreeg die naam omdat het nooit leerde in een hok te slapen zoals de andere honden. Het had zoveel vlooien dat het moeilijk was te weten waar het hondje begon, doorheen de dikke wolk vlooien eromheen. Het was zo vies dat geen baasje er zich onvoorwaardelijk over kon ontfermen, maar anderzijds was het zo vrolijk in zijn vlooienvacht, dat niemand het aandierf het te doden. Dit hondje is ook erg oud geworden. Duizenden vlooien hebben het reeds verla ten, maar nog steeds kwispelt het olijk met zijn staart.

De hondjes uit de Duitse kennel daarentegen, voorzover nog in leven, zijn lui en vadsig. Ook hun puppies waren veel te dik. Normaal dan ook dat weinigen nog een hondje van hun gading konden vinden.

Met de hondjes werd ook veel aan kruising gedaan. Nederland heeft lang gepoogd een eigen bastaard als ras aanvaardbaar te maken. Maar, afgezien van de vele trotse lokale baasjes, die over hun bastaardras het Gaudeamus Igitur aanhieven, wou niemand van die bastaards weten. Er waren nochtans dikke Schatjes bij, en zelfs Leeuwen, Bruyntjes en vele Andriese soorten. Ook hadden ze een erg kieskeurig, eveneens uit Duitsland geimporteerd opperbaasje. Baasje Boehmer werd echter ook al oud, en begon de gave des onderscheids te missen zodat hij vaak haring voor hond aanzag en vice versa. Soms dacht hij zelfs dat hij zelf een hondje was.

Ook in Belgie dacht men honden van Duitse afkomst te slijten. Maar hoezeer de hondjes er aanvankelijk ook om vriendschap bedelden, een echt goede verzorging werd ze nooit gegund. Het ras viel niet erg in de smaak en de hondjes vonden vaak helemaal geen baasje. Die zwierven rond op straat. Enkele andere Goete en door-Goeye hondjes, waarvan een tweetal steeds vrij van vlooien DeSmet bleef (-La Porte bleef Ferme gesloten), kregen later een goed baasje. Fier schreef dat baasje over zijn hondjes een dik en ernstig boek. Meester Sabbe was erg vaardig In de Pem. Daartoe moest hij echter goed op de hondjes letten. Bij sommige merkte hij vlooien op, en dat bracht zijn geest fel in de war. Naarmate hij beter keek, slaagde hij er almaar minder in, de vlooien niet eerder te zien dan de hondjes. Maar ook hij heeft zich om de vlooien uiteindelijk nog niet ernstig bekommerd. Je kan niet op twee paarden wedden, anders worden de oude hondjes jaloers.

Engeland zoals men weet, is niet erg gesteld op import van hondjes. De voorzorgsmaatregelen zijn zo scherp -zes maand quarantaine wordt er noodzakelijk geacht- dat weinigen het kanaal overstaken. Er werd dan ook ter plaatse gefokt en gekweekt. Men behandelde er de hondjes erg hygienisch en zo kwam het dat de vlooien, eerder dan in andere landen, besloten als vlooiencircus op te trekken. Van voor 1968 reeds leidden de vlooien er een geheimzinnig en weinig opgemerkt auto noom bestaan. Ze leven er op mensen, en daarbij heeft elke vlo niet meer dan een gastheer nodig. Soms ontbreken gastheren zelfs volkomen, maar ook dan zagen de fiere en erg op elkaar gestelde vlooien hun voortbestaan niet bedreigd. In grote nood deden zij zich dan voor als mensen, waardoor ze gedurende die tijd grote voorraden warm bloed konden verzamelen. In elke stad hadden ze minstens een centrum: London, Bristol, York, Manchester, Liverpool, Aberdeen... Alle vlooien werden toegelaten en iedereen kon vlo worden. Ook bleek voor het eerst, dat op elke gastheer-mens een vlo verscholen zat, vaak slechts als ei. De raskenmerken der vlooien waren van geen enkel belang, en elke vlo gedroeg zich dan ook volkomen vrij. Vele vlooien besloten zelfs hun eigen instrumenten voor het circus te bouwen. Vaak heel bizar. Daardoor werd hun muziek volkomen inkommensurabel, en slaagden ze erin zich te ontrekken aan de konkurrentieslag en de prestatiedwang. De werking van het circus stond centraal, en iedereen kon meespelen. Een publiek was geen noodzakelijke voorwaarde en die rollen werden volkomen verwisselbaar.

Net zoals zich dat ook in Belgie rond 1968-69 voor heeft gedaan, gebeurde het ook hier dat een hond, vol vlooien, in het circus verzeild geraakte. Vaak had de hond zo'n erge jeuk en last van de vlooien, dat hij besloot zich helemaal door de vlooien te laten opzuigen. Hij veranderde volledig in een zwerm vlooien en van de hond bleef niets dan een stukje droge vacht over. Het vernieuwde en verteerde bloed doorstroomde nu de geincarneerde vlo, en kwam ook vele andere vlooien ten goede. Een zekere historische kontinuiteit kan in zulke metamorfose dus niet geloochend worden.

Tegenover de zelfbewuste en enigszins flegmatische Engelse vlooien, bij dewelke de intimiteit en de klein schaligheid het verst doorgedreven raakte, stond, verder over de plas, de zin voor humor der Amerikaanse vlooien. Deze vlooien blaften vaak als honden, zodat allerlei baasjes in grote verwarring werden gebracht. Door hun blinde vlekken echter hebben die nooit gemerkt hoezeer ze door de vlooien in het ootje genomen werden. Daarover wordt in de talloze New Yorkse vlooiencircussen dan ook nog steeds hartelijk gelachen.

New York is trouwens nog steeds, het weze dan al in mindere mate dan zo'n tien jaar geleden, een broei nest niet alleen van vlooien, maar ook van talloze andere gevaarlijke en minder gevaarlijke dieren. gevaarlijke, zoals de mankende repetitieve duizendpoot en de new-wave-hyena, beide dieren die teren op het braaksel van een lang vervlogen kultuur, opgewarmd met de afval warmte van de bewustzijnvernauwingsindustrie. Parvenus onder de baasjes hebben het er zelfs gewaagd met zulk dier aan de leiband te paraderen. Het is hun echter slecht bekomen, en alleen enkele slecht geinformeerde niet-kenners meenden dit als wonderlijke avant-garde-dieren te moeten beschouwen. De handel in deze dieren nam uitbreiding, alsof iedereen er zich wou van ontdoen en er toch nog een aardige cent aan overhouden. Het spreekt vanzelf dat deze parvenus in geen woorden konden worden vergeleken met de toch enigszins aristokratische hondebaasjes, die hoewel grijzend en in toenemende mate bijziend, toch niet van elk gezond verstand gespeend bleken te zijn. Andersom is er ook een heel Beth ongevaarlijke haringen, die gezien de zwaar gepolueerde toestand van het water waarin ze zwemmen, bij gebrek aan zuurstof wel gedoemd zijn te verdwijnen. Die Forelle, beste Rzewski, kan alleen nog in het sprankelende water van de romantiek overleven.

Maar zoals gezegd, in deze modderpoel van parasieten bleef geen hond van vlooien gespeend. Het aantal vlooien en circussen nam vooral sinds 1970 een geweldige vlucht. Daarbij wekte dit verschijnsel niet de onrust die men normaal gezien dan toch zou menen te mogen verwachten, daar waar een kulturele en artistieke stroming ontstaat die op zovele punten tegen het gangbare ingaat. De kritici en koncertorganisatoren, die uitsluitend hondenliefhebbers waren, en dat grotendeels nog steeds zijn, konden dit nieuwe verschijnsel in tegenstroom niet waarnemen, aangezien ze de avant- garde ge heel en al als hondezaak hadden bepaald. Dit is natuurlijk onnoemelijk dom van ze, en wellicht vooral te wijten aan hun grijze haren. Daaruit blijkt immers dat ze het begrip avant-garde zelf van zijn betekenis beroofden door het te verstarren tot een verwijzing naar een stijl, een medium, de eigenschappen van een bepaald produkt. Maar wat avant-garde is kan, indien het zinnig kan worden bepaald, en wij geloven van wel - alleen worden gezien als de eigenschap van een veranderingsproces binnen en tegenover een op zichzelf ook weer veranderende kulturele kontekst.

Een avant-garde kan alleen bestaan en omschreven worden binnen en tegen een welbepaalde en expliciet af te bakenen kultuur. Avant-garde wordt dan ook niet be paald als een geheel van eigenschappen (een stijl) eigen aan een omschrijfbare verzameling kunstvoorwerpen, produkten, waarvoor een louter estetische definiering mogelijk zou zijn.

Neen, avant-garde is niet een bepaald soort rashond, avant-garde gaat niet dood, verroudert niet maar verandert doorlopend, en naarmate zij meer en fundamenteler verandert, is zij ook in meer uitgesproken mate avant-garde.

Het is dus ook niet omdat de vloooien geen gebruik hebben gemaakt, of, in vele gevallen, geen gebruik hebben willen maken, van de instituties en kanalen waarop vroegere, voorbije avant-garde als een bedelend hondje een beroep heeft gedaan, met name de internationale kunstscene, dat zij de nieuwe avant-garde niet zouden kunnen uitmaken. Wel integendeel, een der meest wezenlijke redenen om in hun beweging de nieuwe avant- garde aan de gang te zien, ligt precies gelegen in ditzelfde zich onttrekken aan die kunstscene.

In het feit dat hun artefakten niet langer kunnen ingeschreven worden in een kunstgeschiedenis, voorzover opevat als geschiedenis van stilistische kenmerken van bewaarbare en bewaarde kunstprodukten, (-vaak ten onrechte 'blijvend' genoemd-) maar hun essentie alleen kan gevonden worden in de aard van hun scheppingsproces, ligt precies de belangrijkste reden om haar als de avant-garde van vandaag naar voren te schuiven. Wie dit weigert te zien laadt het ernstig vermoeden op zich korrupt te zijn, als hij dan nog de avant-garde voor dood verklaart,omdat deze blindheid dan louter belangenblindheid wordt. De blindheid namelijk, van de verzamelaar die niet kan aanzien dat zijn investering verloren dreigt te gaan (-wat niet eens hoeft te gebeuren-) of, erger, die kunstmatig en tegen veel evidentie in, een waarheid poogt aanvaard te krijgen die hem zou toelaten zijn nieuwe investeringen ook als aktuele en voor deze aktualiteit relevante en dus waardevolle produkten, rendabel te maken. Deze steen wordt niet alleen gegooid naar de bazen, maar treft evenzeer de honden die dit spel van kontradiktie en leugenachtigheid meespelen. Ook al zijn het dan ook vaak halfslachtige honden, vergeven van vlooien. Zoals Freddy De Vree onlangs in een van zijn radioprogramma's op BRT-III zei, is het inderdaad onzinnig en op zijn minst verdacht, met een aanval op musea en kunstverzamelaars als instituut, in diezelfde musea en kunstverzamelingen een plaats op te eisen. Er zijn andere wegen, alternatieven, er is een echte avant- garde, maar zij grijpt inderdaad grotendeels plaats buiten deze streng hierarchische en kompetitieve instituten. Zij is kleinschalig, maar zij verzaakt in haar dynamische kleinschaligheid geenszins aan haar wil tot veralgemening. Zij is getekend door een vaak sterk maatschappelijk engagement omdat zij de nadruk wil leggen op expressieve ontplooiing van elkeen, en dat in haar artistieke praktijk ook effectief poogt te doen. Het workshop verschijnsel in de muziek, kan hiervoor als schoolvoorbeeld gelden.

Zij is in haar produktiewijze volkomen anarchisch, waardoor het evident is dat zij geen nieuwe Grote Namen aan de Kultuur-en Kunstgeschiedenis poogt op te dringen. Het hieraan verzaken is ook weer een van de elementaire redenen om haar als avant-garde te omschrijven. Het argument voor de dood van de avant-garde, volgens hetwelk het niet opduiken van nieuwe Namen op die Kunstscene een bewijs zou vormen voor haar dood, slaat dan ook nergens op, dan op de dood van die Kunstscene zelf.

Haar belangrijkste kenmerken laten zich niet als stijl omschrijven. Een van die kenmerken is het begrip improvisatie, een werkwijze, een scheppingsmethode, waarvan het belang gelegen is in het onmiddellijke proces, het konfliktueel beleven en meebeleven daarvan, meer dan in het resultaat.De scheppingsdaad, het expressief gedrag van de mens, komt centraal te staan. De problemen en konflikten die ontstaan bij kommunikatief expressief gedrag, kunnen binnen zo'n kontekst dan aan leiding geven tot een kreatief proces, waaruit de schep per dan verrijkt te voorschijn komt, een verrijking die in veel gevallen - op grond van haar interaktieve oorzaken - ook anderen ten goede komt.

De nieuwe avant-garde is niet dwalend in een zoektocht naar een bepaling van een eigen stijl. Als avant- garde verzaakt zij aan het stijlbegrip, wat vanzelfsprekend niet wegneemt dat de konstanten over een bepaalde tijdspanne, in het expressieve gedrag van een bepaald individu wel degelijk als stijlhebbend kunnen worden gekarakteriseerd en ook vatbaar zijn voor stijlanalyse en kritiek. Er is echter minder dan ooit tevoren zoiets als stijl- dwang. In de klassieke kunst-produktieve traditie tot voor weinige jaren, was het vinden van een eigen stijl - hoe relatief het 'eigene' daarbij ook mogen wezen - inderdaad een soort dwang, vermits de produkten die voortgebracht werden anders niet konden worden verzameld, en de schepper niet kon worden herkend, dus ook niet erkend.

De nieuwe avant-garde is deels geboren uit een sterk toegenomen realiteitsbesef. De in de Westerse landen onmiskenbaar zeer sterk toegenomen scala aan artistieke vrijheden evenals het aantal aktieve kunstenaars, heeft velen doen inzien dat de Struggle for the fittest, de drang naar universele erkenning en wereldroem, een loutere waarde is, en als dusdanig konventioneel, en dus ook veranderbaar. Deze in weze kapitalistische waarde vermag niets anders dan het scheppen van 999.999 frustaties op 1 labiel, betrekkelijk en tijdelijk succes, terwijl ze bovendien verlammend werkt op 99.999.999 passieve konsumenten. Door deze waarde te negeren, en in de praktijk vooral belang te hechten aan het lokale, tijdelijke en interpersoonlijke, onttrekt de nieuwe avant-garde zich aan het vooruitschuiven van valse helden en idolen.

De nieuwe avant-garde moet beschouwd worden als een fenomeen van kleine kollaboratieve groepen en groepjes en mag niet worden gereduceerd door die leden die daar door hun mogelijke grotere kreatieve inbreng en invloed, wellicht iets meer in het oog springen van de aandachtige toeschouwer of luisteraar.

Natuurlijk is dit alles weer niet zo nieuw dat er ook hiervoor niet enkele historische precedenten aan te wijzen zouden zijn. De meeste daarvan zijn grotendeels in de kunstgeschiedenis als geschiedenis van artefakten terecht gekomen en, ten onrechte, daartoe gereduceerd. Het Futurisme als beweging bijvoorbeeld, de enige echte avant-garde van voor en rond de eerste wereldoorlog, werd door onze bewaarinstellingen gereduceerd tot een verzameling op zichzelf nogal weinig interessante prentjes en enkele niet eens meer uitvoerbare partituren. Van het Futurisme zelf zal men echter tevergeefs de neerslag zoeken in onze musea, in onze koncertprogramma's, in onze overzichten van de kunstgeschiedenis. Meer dan latere bewegingen zoals Dada en Fluxus, heeft het zich daaraan weten te onttrekken. Het is echter niet in zijn opzet geslaagd. De kultuur gericht op haar toekomst, en haar waarden puttend uit haar streven, in plaats van terugblikkend op het verleden, is er niet gekomen. Dada had geen positief programma, en hoewel Fluxus reeds sterk de nadruk legde op expressieve emancipatie en vrije kreativiteit, was het maatschappelijk pessimisme van de meeste hunner aanhangers dan toch niet zo diep geworteld dat dat ze zich volledig aan de bestaande kulturele orde hadden kunnen onttrekken. Dat ze die orde, elk op hun beurt, dan toch in enige mate hebben weten te verstoren, kan moeilijk worden geloochend, en het strekt hen tot eer. Noch Futurisme, noch Dada, noch Fluxus mogen met enig recht worden gereduceerd tot Marinetti, Duchamp , Maciunas, niet in het minst omdat deze enkelingen vaak -en zeker voor de twee laatstgenoemden- alleen meer in de kijker zijn gelopen, door wat meer "tegemoetkomingen" te hebben gedaan aan de verlangens van het kunstforum, dan vele van hun oprechte medestanders.

Niemand kan natuurlijk uitsluiten of garanderen dat dit niet ook zou kunnen gebeuren met de nieuwe avant-garde. We geloven echter dat de kansen weer eens wat slechter liggen dan voorheen. En, mocht het nu niet slagen, er kan toch veel worden bereikt. De uitgangspunten zijn kompromislozer dan ooit tevoren en na elke avant-garde komt steeds weer een nieuwe avant-garde. Immers een maatschappelijk systeem voorzover in beweging en veranderend, omvat als systeem noodzakelijkerwijze talloze kontradikties en konflikten. De avant-garde is binnen elk dergelijk maatschappelijk systeem, binnen elke veranderende kultuur, die beweging waarbinnen voor die waardekonflikten en kontradikties de meest ingrijpende oplossingen in de vorm van alternatieve waarden en normen, worden voorgesteld en in de praktijk gebracht.

Die alternatieve waarden en normen moeten echter wel progressief zijn, dit wil zeggen, niet ontleend aan een met heimwee bejegend verleden, wat immers regressief en reaktionair zou zijn.

De avant-garde speelt zich altijd af bij die mensen die de konflikten in een kultuur het sterkst kunnen aanvoelen en tot uiting brengen. Zowel intelligentie als expressieve kompetentie zijn daarom noodzakelijk. Mensen ook, die zich in zekere mate in de rand van het systeem bevinden, doordat ze leven met de normkonflikten van dat systeem. Het is niet zo dat zij zichzelf "en marge" plaatsen, maar wel worden zij door de kultuur gemarginaliseerd. Op die wijze ook onttrekken zij zich, voor wat hun karakteristieken als avant- garde betreft tenminste, aan institutionalisering. Zulke institutionalisering kan er natuurlijk wel komen, maar steeds betekent dit dan tevens het einde van haar funktioneren als avant-garde.

Omdat het non-verbale bij dit aanvoelen en uiten van konflikten aan het verbale voorafgaat, geloven wij in het visionaire karakter van de avant-garde muziek. Het komt er daarbij wel op aan, oor te hebben voor die avant-garde en zich niet te laten misleiden door de eerste de beste die zich daarbij als paus aandient, of de term avant-garde hanteert. Alleen de taal kan liegen.

De avant-garde is per definitie eigenlijk een elite. Zij is evenwel daarom niet automatisch elitair. Zij heft zichzelf als elite ook niet noodzakelijk op door haar veralgemening, wel is dit haar bestreving. Door haar onvermijdelijk gebrek aan maatschappelijke macht kan zij immers haar veralgemening niet garanderen. Wel is zij de drijvende kracht achter de kultuur, en vergroot zij de overlevingskansen van deze kultuur, doordat zij haar meer gedragsalternatieven kan voorstellen. De avant-garde schept waarheid en toekomst. Haar onderdrukking is onmogelijk en die kultuur waarin de avant- garde dood zou zijn,staat zelf oog in oog met haar nakend einde,haar absolute stilstand. Maar dit ideaal van een konsistente en konfliktvrije tot stilstand geko men kultuur is een ideaal dat alleen voorbij de bestaansgrens van de kultuur kan worden gesitueerd. Alleen in zo'n systeem kan er geen avant- garde bestaan, is er ook geen avant-garde nodig. Zo'n kultuur is vastgevroren, ijskoud en dood. Maar, de avant-garde leeft, l e e f t, l e e f t, l e e f t...

(09/82) (oorspronkelijk gepubliceerd in "Restant",XI,1983)


Filedate: 820902

Terug naar inhoudstafel kursus: <Index Kursus> Naar homepage dr.Godfried-Willem RAES